Boomklevers

De boomklever dankt zijn naam aan het vermogen bomen zowel omhoog als omlaag te beklimmen, waardoor de vogel als het ware lijkt te kleven aan de stam, zonder te vallen. Boomklevers zijn holenbroeders en staan erom bekend de opening van hun broedholte te verkleinen door te ‘metselen’ met modder. Deze metseldrang is vaak zo sterk, dat ook wanneer het gat al de juiste grootte heeft, er in de omgeving toch nog een metselwerk gemaakt wordt. Boomklevers die in nestkasten broeden maken bijvoorbeeld een versterkt dakoverstek boven de invliegopening.

De Rotsklever broedt in rotsachtig terrein, vaak op grote hoogte in de bergen. Hij komt voor in zuidoost Europa en het Midden-Oosten. De snavel is niet meer kort en dun zoals bij de boomklevers, maar is veel forser.

De boomkruiper is een stuk minder opvallend dan zijn bijna-naamgenoot, de boomklever. Boomkruipers zijn bruingevlekt van boven en roomwit van onderen. De spitse snavel is omlaag gebogen en zeer geschikt om insecten uit spleten in boombast te peuteren. Daarbij is de boomkruiper prima gecamoufleerd: zijn verenpak lijkt sprekend op boombast. De boomkruiper heeft een karakteristieke manier van voedsel verzamelen. De vogel hipt spiraalsgewijs langs een boomstam omhoog, daarbij de bast afzoekend naar insecten. Op enige hoogte aangekomen vliegt de boomkruiper naar een naburige boom, om daar weer aan de voet met klauteren te beginnen. Ondertussen gebruikt de boomkruiper de stugge staartveren als steuntje waardoor deze, voor wie goed oplet, vaak sterk gesleten punten blijken te hebben. Bij strenge koude kruipen boomkruipers knus bij elkaar; uit zo’n bal van veren kunnen soms wel tien of meer staartjes steken!

Boomklevers

Rotsklevers

Turkse Boomklevers